De Paradox van de Gecommodificeerde Anarchie
Craig Gillespie’s 'Cruella' presenteert zich als een ambitieus, revisionistisch spektakel dat balanceert op de precaire grens tussen haute couture-esthetiek en de onvermijdelijke commerciële conformiteit van de Disney-machine. Hoewel de mise-en-scène van het Londen uit de jaren zeventig — getypeerd door een weelderige doch gecontroleerde chaos — onmiskenbaar indrukwekkend is, blijft de narratieve structuur pijnlijk gevangen in de paradox van de 'villain origin story'. De kadrering benadrukt herhaaldelijk de divalike grandeur van Emma Thompson’s Baroness, waarbij de composities bijna een formele, neoklassieke strengheid aannemen die contrasteert met Estella’s grillige silhouetten. Echter, zoals de theorieën van Laura Mulvey over de visuele lust vaak de objectificatie van het beeld bekritiseren, lijkt 'Cruella' haar eigen rebellie te objectiveren; het is punk als product, ontdaan van haar subversieve angel. Walter Benjamin zou de film wellicht aanhalen als het ultieme voorbeeld van de esthetisering van politiek en verzet binnen de mechanische reproduceerbaarheid. Technisch gezien is het gebruik van geluid intrigerend. Waar de non-diegetische soundtrack oververzadigd is met 'needle drops' die soms grenzen aan muzikale luiheid, is het diegetische geluid in de atelier-scènes juist tactiel en verfijnd. Het ritmische geklik van de naaimachines en de wrijving van scharen door zware stoffen creëren een zintuiglijke diepgang die helaas wordt overschaduwd door een script dat teveel leunt op sentimentele rechtvaardiging. De transformatie van Estella naar Cruella voelt hierdoor minder als een psychologische desintegratie en meer als een berekende, performatieve kledingwissel. De film is visueel verrukkelijk, maar mist de noodzakelijke cinematografische 'shrapnel' om echt te ontwrichten.