Een monumentale exercitie in menselijkheid
Stveen Spielbergs 'Schindler's List' (1993) blijft een onbetwistbaar ijkpunt in de westerse cinematografie. Als vertaler Mandarijn en bewonderaar van de Oost-Aziatische cinema, trek ik onvermijdelijk parallellen met werken als Lu Chuan's 'Nanjing! Nanjing!' (City of Life and Death). Waar de Chinese cinema vaak de collectieve pijn van de bezetting stileert, focust Spielberg op de morele evolutie van Oskar Schindler. De transformatie van een opportunistische zakenman naar een behoeder van elfhonderd levens wordt met een bijna documentaire-achtige precisie gevangen in Janusz Kamiński's zwart-wit beelden.
Hoewel de film terecht geprezen wordt, observeer ik dat de Koreaanse cinema—neem bijvoorbeeld 'A Taxi Driver' (Taeksi Unjeonsa)—al decennia lang met een vergelijkbare rauwe directheid de confrontatie tussen het individu en een repressief systeem verkent. Spielberg hanteert echter een specifieke grandeur die de gruwelen van de Holocaust tastbaar maakt zonder te vervallen in gratuit sentiment. De subtiele kleuraccenten, zoals het meisje in de rode jas, getuigen van een regie die de kijker dwingt tot getuigenis. Het redden van ruim duizend Joden van de gaskamers van Auschwitz is niet slechts een historisch feit, maar een narratief over de fragiliteit van de ethiek. In vergelijking met moderne producties herinnert dit epos ons eraan dat ware cinematografische kracht schuilt in de navigatie tussen schuld en verlossing, een thema dat Koreaanse regisseurs al twintig jaar tot in de perfectie beheersen.
























